In deze arbeidsrechtelijke zaak tussen een advocaat en zijn werkgever, een advocatenkantoor, is de arbeidsovereenkomst ontbonden wegens een duurzaam en ernstig verstoorde arbeidsverhouding. Het geschil in hoger beroep betreft vooral de vraag of sprake is van ernstig verwijtbaar handelen door een van de partijen en of de werknemer aanspraak heeft op vergoeding van niet-genoten vakantiedagen.
De kantonrechter stelde vast dat de arbeidsverhouding ernstig was verstoord, maar kon niet bepalen wie daarvan overwegend de schuld droeg. Het hof bevestigt dit oordeel en concludeert dat geen van beide partijen ernstig verwijtbaar heeft gehandeld. Het conflict werd gekenmerkt door wederzijdse beschuldigingen en een hoog oplopend geschil over vakantiedagen.
Ten aanzien van de vakantiedagen oordeelt het hof dat de werknemer sinds het begin van zijn dienstverband 251,25 niet-genoten vakantiedagen heeft opgebouwd. De werkgever heeft onvoldoende aangetoond dat hij aan zijn zorg- en informatieplicht heeft voldaan om de werknemer in staat te stellen zijn vakantie op te nemen, zoals vereist op grond van het Max Planck-arrest van het HvJEU. Hierdoor zijn de wettelijke vakantiedagen niet vervallen of verjaard. Voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt dat aanspraken tot 2013 verjaard zijn, maar aanspraken vanaf 2014 nog geldend zijn vanwege stuiting van de verjaring.
Het hof stelt partijen in de gelegenheid om een nieuwe berekening te maken van het aantal te vergoeden vakantiedagen en het bijbehorende loonbedrag, inclusief wettelijke verhoging en rente. De procedure wordt aangehouden om verdere beslissing te nemen, waarbij partijen worden aangemoedigd een minnelijke regeling te treffen.