Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
10 januari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 15 juni 2021, waarin de betrokkene werd veroordeeld tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit medeplegen van mensenhandel in de periode van februari 2010 tot december 2012.
Het hof had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 113.877,50, waarbij onder meer kosten van levensonderhoud, werkkleding en woning werden meegenomen. Het hof schatte deze kosten op € 500 per maand, gebaseerd op een proces-verbaal van bevindingen. Namens de betrokkene werd aangevoerd dat de werkelijke woonlasten van het slachtoffer hoger waren (€ 750 huur en € 100 voor gas, water en elektriciteit) en dat deze woonlasten niet in het bedrag van € 500 waren begrepen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de lagere kostenraming van € 500 per maand passend is, terwijl het proces-verbaal juist geen woonlasten bevatte. Hierdoor is de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing.
De overige cassatiemiddelen behoeven geen bespreking vanwege de vernietiging en terugwijzing. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer van de Hoge Raad op 10 januari 2023.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.