Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
21 april 2023.
Hoge Raad
De opdrachtgever gaf in 2009 opdracht voor een bouwkundig ontwerp van een opslagloods en in 2010 aan een bouwkundig adviseur voor de statische berekeningen. Na oplevering in 2010 ontstonden vanaf 2011 constructieproblemen zoals scheuren en verzakkingen. Na onderzoek in 2014 bleek dat fouten in de berekeningen de oorzaak waren. De opdrachtgever startte in 2017 een procedure tegen het bouwkundig ontwerpbureau en stelde later de bouwkundig adviseur aansprakelijk.
De rechtbank en het hof oordeelden dat de verjaringstermijn van vijf jaar was begonnen in 2012 of uiterlijk 2013, toen de opdrachtgever bekend was met de schade en de mogelijke aansprakelijkheid van de bouwkundig adviseur. De opdrachtgever had pas in 2019 een stuitingshandeling verricht, waardoor de vordering verjaard was.
De Hoge Raad bevestigt dat de verjaringstermijn begint te lopen zodra de benadeelde voldoende zekerheid heeft dat schade is veroorzaakt door foutief handelen van de betrokken persoon. Hierbij is niet vereist dat de benadeelde zelf deskundig is, maar wel dat hij niet langer op geruststellende mededelingen kan vertrouwen. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de opdrachtgever in de kosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de vordering van de opdrachtgever wegens verjaring is afgewezen.