Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
21 maart 2023.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een 36-jarige verdachte tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 juli 2021, waarin hij werd veroordeeld voor ontucht met een 15-jarige jongen. De verdachte voerde onder meer aan dat de verklaringen van het slachtoffer onbetrouwbaar waren en niet als bewijs konden dienen, en dat het bewijsminimum volgens art. 342 lid 2 Sv Pro (unus testis) niet was gehaald.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De verklaringen van het slachtoffer werden geacht voldoende steun te vinden in ander bewijs, en het bewijsminimum werd als gehaald beschouwd. Tevens werd overwogen dat de vorderingen van benadeelde partijen geen onevenredige belasting van het strafgeding opleverden.
De Hoge Raad heeft het beroep verworpen zonder nadere motivering, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Hiermee blijft het arrest van het gerechtshof ongewijzigd in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.