Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
21 februari 2023.
Hoge Raad
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld wegens bedreiging met zware mishandeling van twee medewerkers van de afdeling handhaving van een gemeente op een woonwagenkamp. De bedreiging bestond uit uitlatingen waarbij de verdachte dreigde met het uit de mond slaan van alle tanden van de medewerkers.
De verdachte stelde in cassatie dat de bedreiging niet kon worden aangemerkt als bedreiging met zwaar lichamelijk letsel, omdat gebitsschade niet zonder meer als zodanig kan worden beschouwd en het hof onvoldoende onderzoek had gedaan naar de noodzaak en aard van medisch ingrijpen. De Hoge Raad oordeelde dat bij bedreiging met zwaar lichamelijk letsel niet het daadwerkelijk toebrengen van letsel centraal staat, maar de redelijke vrees bij het slachtoffer dat zwaar letsel kan ontstaan.
Het hof had geoordeeld dat de bedreigde medewerkers in redelijkheid vrees konden hebben voor zwaar lichamelijk letsel, mede gelet op de agressieve gedragingen van de verdachte en de ernst van de bedreigingen. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk of onjuist. Het cassatieberoep werd daarom verworpen en de veroordeling bevestigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens bedreiging met zware mishandeling wordt bevestigd.