ECLI:NL:HR:2023:1787

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2023
Publicatiedatum
20 december 2023
Zaaknummer
22/02350
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake naheffingsaanslagen speelvergunningsrecht

Belanghebbende, een besloten vennootschap, was in geschil met het Bestuurscollege van het Openbaar Lichaam Bonaire over naheffingsaanslagen speelvergunningsrecht voor de periode van het derde kwartaal 2017 tot en met het vierde kwartaal 2019. Na een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire werd hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Het Hof handhaafde de naheffingsaanslagen.

Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het Hof. De Hoge Raad vond geen noodzaak om de motivering van dit oordeel te geven omdat de klachten niet relevant waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad besloot het beroep in cassatie ongegrond te verklaren en zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen. Hiermee blijft de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie ongewijzigd van kracht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen blijven gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02350
Datum22 december 2023
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. (hierna: belanghebbende)
tegen
het BESTUURSCOLLEGE VAN HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 28 april 2022, nrs. BON2021H00002 tot en met BON2021H00011 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (nrs. BON202000142 tot en met BON202000151) betreffende de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen speelvergunningsrecht over het derde kwartaal van 2017 tot en met het vierde kwartaal van 2019.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door J.P. Ruiter, heeft tegen de uitspraak het Hof beroep in cassatie ingesteld.
Het bestuurscollege van het openbaar lichaam Bonaire (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2023.