ECLI:NL:HR:2023:177

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
9 februari 2023
Zaaknummer
21/00767
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.B OpiumwetArt. 3 Regeling aantekening mondeling vonnisArt. 425.2 SvArt. 425.3 SvArt. 359 lid 3 Sv
Verwijzingen
13 uitgaand · 7 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging mondeling vonnis hennepkwekerij ondanks vrijspraakverzoek in hoger beroep

In deze strafzaak gaat het om het bezit van een hennepkwekerij, waarbij de politierechter de verdachte heeft veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennep en hennepplanten. De verdachte heeft dit niet bekend en zijn raadsvrouw heeft in hoger beroep vrijspraak bepleit. Het hof heeft het vonnis van de politierechter bij mondeling arrest bevestigd.

De verdachte stelde in cassatie een bewijsvoeringklacht in, waarbij de advocaat-generaal opmerkte dat het hof niet volstaan had mogen worden met een opgave van bewijsmiddelen volgens artikel 359 lid 3 Sv Pro, omdat de verdachte niet had bekend en vrijspraak was bepleit. De Hoge Raad herhaalt echter eerdere jurisprudentie dat de inhoud van de aantekening van een mondeling arrest niet afhankelijk is van bekendheid of vrijspraakverzoek.

De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rolzitting om de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zich verder uit te laten over de overige cassatiemiddelen en houdt verdere beslissing aan. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de strafkamer.

Uitkomst: De Hoge Raad verwijst de zaak naar de rolzitting voor nadere behandeling en houdt verdere beslissing aan.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00767
Datum14 februari 2023
TUSSENARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2021, nummer 23-001611-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, teneinde opnieuw te worden berecht en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over de bewijsvoering. Naar aanleiding daarvan heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat in deze zaak zich niet het geval voordoet dat op grond van artikel 359 lid Pro 3, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan worden volstaan met een opgave van bewijsmiddelen - omdat niet sprake is van een bekennende verdachte en ook namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak is bepleit - en dat daarom het hof het vonnis niet had mogen bevestigen zonder de in artikel 423 lid 1 Sv Pro bedoelde aanvulling van gronden, te weten de in artikel 359 lid Pro 3, eerste volzin, Sv bedoelde weergave van de inhoud van de bewijsmiddelen met betrekking tot het tenlastegelegde.
2.2.1
De politierechter heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaard dat hij:
“op 16 juni 2015 te [plaats] opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [a-straat 1] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 98,92 gram hasj en ongeveer 485 hennepplanten, een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.”
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Ik verzoek het hof mijn cliënt integraal vrij te spreken.”
2.2.3
Het hof heeft het vonnis onder meer wat betreft de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde bij mondeling arrest bevestigd. Dat mondelinge arrest is aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep.
2.3.1
Over de bevestiging en vernietiging van een mondeling vonnis bij mondeling arrest heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2026 - onder verwijzing naar onder meer artikel 3 van Pro de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) en artikel 425 leden Pro 2 en 3 Sv - het volgende overwogen:
“2.3.1 Op grond van art. 423, eerste lid, Sv is zowel de meervoudige als de enkelvoudige kamer van het hof bevoegd een in eerste aanleg gewezen vonnis te bevestigen. Dit geldt ook indien het een mondeling vonnis betreft dat in het proces-verbaal van de terechtzitting is aangetekend op de wijze als in de Regeling bepaald. De bevoegdheid om zo een mondeling vonnis te bevestigen is niet beperkt tot het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro (bekennende verdachte).
(...)
2.5
Indien de enkelvoudige kamer van het hof mondeling arrest wijst, mag de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen - in overeenstemming met de Regeling - verwijzen naar het proces-verbaal van de terechtzitting en/of andere processtukken, ongeacht of het geval als bedoeld in de tweede volzin van het derde lid van art. 359 Sv Pro zich voordoet. Deze verwijzing kan, ook in geval van vernietiging van het mondeling vonnis bij mondeling arrest, zowel het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg als het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep betreffen.”
2.3.2
Gelet hierop is het voor de eisen die aan de inhoud van de aantekening van het mondeling arrest worden gesteld, niet van belang of de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend dan wel of ter terechtzitting door of namens de verdachte vrijspraak is bepleit. (Vgl. ook HR 8 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BK5605.)
2.4
De advocaat-generaal heeft zich voor het overige nog niet uitgelaten over de voorgestelde cassatiemiddelen. De Hoge Raad is van oordeel dat de advocaat-generaal daartoe alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld. Met het oog daarop zal de zaak naar de rolzitting worden verwezen.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwijst de zaak naar de rolzitting van 21 februari 2023;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
14 februari 2023.