Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
15 december 2023.
Hoge Raad
In deze zaak stond de uitleg van een gemengde levensverzekering centraal, waarbij winstdeling was gebruikt voor de aanvulling van een jaarlijks dalend verzekerd kapitaal bij overlijden voor de einddatum. De vraag was of het gedeelte van de winstdeling dat voor deze aanvulling was gebruikt, alsnog uitgekeerd moest worden aan de verzekerde die op de einddatum in leven was.
De Hoge Raad verwees naar eerdere uitspraken van de rechtbank Den Haag en het gerechtshof Den Haag, die de zaak in feitelijke instanties hadden behandeld. Het cassatieberoep van eiser richtte zich tegen het arrest van het hof, waarin het hof het standpunt van De Goudse levensverzekeringen had bevestigd.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. Daarbij was het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de motieven, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde eiser in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee werd het oordeel van het hof bekrachtigd dat de winstdeling zoals toegepast door De Goudse niet tot een aanvullende uitkering aan eiser leidde.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.