ECLI:NL:HR:2023:1360

Hoge Raad

Datum uitspraak
3 oktober 2023
Publicatiedatum
2 oktober 2023
Zaaknummer
22/01914
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:1 SvArt. 6:6:7 SvArt. 6:6:31 SvArt. 6:6:37 Sv
Verwijzingen
9 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep tegen verlenging plaatsing jeugdige in inrichting

De zaak betreft een cassatieberoep van een jeugdige tegen een beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden tot verlenging van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De verzoeker stelde dat het cassatieberoep ontvankelijk moest worden verklaard.

De Hoge Raad overwoog dat op grond van artikel 6:6:1 lid 1 en Pro artikel 6:6:7 van Pro het Wetboek van Strafvordering tegen rechterlijke beslissingen inzake tenuitvoerlegging geen gewoon rechtsmiddel openstaat, tenzij in hoofdstuk 6 van Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering anders is bepaald. Artikel 6:6:31 Sv Pro regelt de verlenging van de maatregel, en artikel 6:6:37 lid 2 Sv Pro biedt hoger beroep tegen zo’n beslissing, maar hoofdstuk 6 van Boek 6 bevat geen bepaling die cassatieberoep tegen deze beslissing toestaat.

Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep niet in behandeling nemen en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dit arrest bevestigt de beperkte rechtsmiddelen tegen beslissingen over de tenuitvoerlegging van PI-maatregelen voor jeugdigen, waarbij cassatie niet openstaat.

De uitspraak is gewezen door de vice-president Borgers als voorzitter en raadsheren van Strien en Kooijmans, en uitgesproken in openbare terechtzitting op 3 oktober 2023.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer22/01914
Datum3 oktober 2023
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een beslissing van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 maart 2022, nummer PIJ 21/0339, in de zaak
van
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verzoeker.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verzoeker. Namens deze heeft H.C. Ingelse, advocaat te Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoeker in het beroep.
De raadsman van de verzoeker heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Op grond van artikelen 6:6:1 lid 1 en 6:6:7 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) staat tegen rechterlijke beslissingen inzake de tenuitvoerlegging geen gewoon rechtsmiddel open, voor zover in hoofdstuk 6 van Boek 6 van dat wetboek niet anders is bepaald. Tegen een beslissing, als bedoeld in artikel 6:6:31 Sv Pro, tot verlenging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, staat volgens artikel 6:6:37 lid 2 Sv Pro hoger beroep open. Hoofdstuk 6 van Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering bevat echter geen bepaling op grond waarvan cassatieberoep openstaat tegen zo’n beslissing. Daarom kan de Hoge Raad het cassatieberoep van de verzoeker niet in behandeling nemen.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
3 oktober 2023.