ECLI:NL:HR:2023:1180
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt uitspraak rechtbank over proceskostenverdeling in belastingzaak
Belanghebbende, een B.V., stelde beroep in cassatie in tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland die het verzet tegen een eerdere uitspraak ongegrond verklaarde, maar wel een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn toekende. Tevens werd de Staat veroordeeld in de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
De Rechtbank had de kosten van rechtsbijstand vastgesteld op basis van een bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarbij een lagere waarde per punt werd toegepast voor procedures over besluiten op grond van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorijwielen 1992. Belanghebbende voerde aan dat dit onderscheid niet gerechtvaardigd was en in strijd met het discriminatieverbod.
De Hoge Raad sloot zich aan bij eerdere rechtspraak en oordeelde dat het beroep in cassatie gegrond is voor zover het de proceskosten betreft. De uitspraak van de Rechtbank werd vernietigd voor dat onderdeel. De Hoge Raad paste de waarde per punt aan naar het hogere tarief dat geldt sinds 1 januari 2023 en veroordeelde de Staat in de volledige proceskosten, inclusief griffierecht en kosten voor het geding bij de Rechtbank en in cassatie.
De overige klachten van belanghebbende werden door de Hoge Raad ongegrond verklaard zonder nadere motivering, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het deel van de uitspraak over proceskosten en veroordeelt de Staat tot vergoeding van volledige proceskosten en griffierecht.