ECLI:NL:HR:2022:841

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 juni 2022
Publicatiedatum
3 juni 2022
Zaaknummer
20/02570
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 420bis.1.b SrArt. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt en wijzigt strafoplegging in meervoudige witwaszaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2020, waarin de verdachte werd veroordeeld voor meermalig witwassen. De Hoge Raad vernietigt het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en de verbeurdverklaring van bepaalde voorwerpen. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de eerdere terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend en bepaalde strafrechtelijke beslissingen onvoldoende heeft gemotiveerd.

De Hoge Raad legt zelf een gevangenisstraf op van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Tevens wordt de teruggave gelast van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen en een geldbedrag. Daarnaast vermindert de Hoge Raad het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis, en corrigeert het verbeurdverklaarde geldbedrag.

Een klacht over overschrijding van de redelijke termijn leidt tot vermindering van de taakstraf. De Hoge Raad verwerpt het beroep voor het overige en bevestigt daarmee het merendeel van het hofarrest. Deze uitspraak volgt op eerdere procedures en is een vervolg op HR:2018:507.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot 20 weken gevangenisstraf waarvan 16 weken voorwaardelijk met 2 jaar proeftijd en een taakstraf van 120 uur, subsidiair 60 dagen hechtenis, met teruggave van bepaalde voorwerpen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02570
Datum21 juni 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 17 augustus 2020, nummer 23-002217-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend ten aanzien van de strafoplegging.
De raadsvrouw van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel, de eerste deelklacht van het derde cassatiemiddel en het vijfde cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft deze klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel, de tweede deelklacht van het derde cassatiemiddel, het vierde en het zesde cassatiemiddel

3.1
De klachten hebben betrekking op de strafoplegging. In het bijzonder klagen de cassatiemiddelen dat het hof de terugwijzingsopdracht van de Hoge Raad heeft miskend door te oordelen dat het de straf voor het onder 2 en 3 bewezenverklaarde kon bepalen, dat het hof de verbeurdverklaring van een aantal in de schriftuur genoemde voorwerpen ontoereikend heeft gemotiveerd en dat het hof ten onrechte een proeftijd van drie jaren heeft vastgesteld wat betreft de naleving van de algemene voorwaarden.
3.2
De klachten slagen. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.1 en 4.2, 6.6, 7.1 en 7.2 en 9.2-9.4. De Hoge Raad zal om redenen van doelmatigheid de zaak zelf afdoen en, in aansluiting bij de kennelijke bedoeling van het hof, de verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis. Voorts zal de Hoge Raad de teruggave gelasten van de hierna te noemen voorwerpen.

4.Beoordeling van het zevende cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de op te leggen taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van de voorwerpen met de nummers 15, 16, 44, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116 tot en met 120, 122, 124, 135 en 144 en wat betreft de ‘strafbepaling’ ter zake van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde;
- veroordeelt de verdachte ter zake van de bij de uitspraak van het hof van 29 april 2016 onder 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en het bij de uitspraak van het hof van 17 augustus 2020 onder 1 bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig weken, waarvan zestien weken voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.
- vermindert het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis in die zin dat deze 114 uren, subsidiair 57 dagen hechtenis belopen;
- vermindert het onder nummer 44 verbeurdverklaarde geldbedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 6.893,19 bedraagt;
- gelast de teruggave aan de verdachte van het onder nummer 44 inbeslaggenomen geldbedrag van € 13.451,81;
- gelast de teruggave aan de verdachte van de inbeslaggenomen voorwerpen met de nummers 15, 16, 44b, 104, 105, 109, 110, 113, 116 tot en met 120, 122, 124, 135 en 144;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 juni 2022.