Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
Op 23 september 2018 deed [betrokkene 2] aangifte van brandstichting. Hierbij verklaarde zij dat zij de eigenaresse is van Spareribbery ‘[A]’, met bijbehorend terras, gevestigd aan de [b-straat 1] te Terneuzen. Op het terras stonden die nacht twee grote ingevouwen parasols van het merk Heineken, welke parasols haar eigendom zijn en € 275,00 per stuk kosten. Door de politie is aan haar verteld dat er die nacht is getracht één van de twee parasols in brand te steken.
Op 23 september 2018 heeft [betrokkene 1], wonende aan de [b-straat 3] te Terneuzen, aangifte gedaan van brandstichting. Op het moment dat hij die nacht zijn deur openmaakte, zag hij dat zijn groene kliko in brand stond, welke tegen de gevel van “[C]” stond. [betrokkene 1] verklaarde later dat zijn vrienden die nacht omstreeks 04.09 uur appten dat zij bij zijn huis waren. Toen zij aankwamen zagen zij dat er een kliko op het schoolplein van ‘[C]’ in brand stond. [betrokkene 1] en zijn vrienden hebben de brand met een teil en een pan met water geblust.
Op 23 september 2018 deed [betrokkene 4] aangifte van brandstichting bij haar woning aan de [a-straat 1] te Terneuzen, waar zij samen met haar echtgenoot en zoon woonachtig is. Zij verklaarde dat zij die nacht ineens wakker werd gemaakt door haar echtgenoot, die beneden sliep, die riep dat er brand was. Uit de verklaring van de getuige [betrokkene 5], de echtgenoot van aangeefster [betrokkene 4], blijkt dat hij op 23 september 2018 omstreeks 04:30 uur lag te slapen op de bank in de woonkamer en dat hij wakker werd van geknetter. Dit geknetter kwam vanaf de voordeur en door de voordeur heen zag hij vlammen. Hierbij zag hij dat de ruit van de voordeur was gebarsten en dat de stoel die recht tegen de voordeur aanstond in brand stond. De muur waar de stoel tegenaan stond, was zwart van het roet. Ik denk dat als ik niet wakker was geworden de ruit van de voordeur was gesprongen en de vlammen naar binnen waren geslagen. Dit denk ik omdat de ruit al gebarsten was.
Op 23 september 2018 omstreeks 04.28 uur reden de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] in de [e-straat] te Terneuzen. Ter hoogte van de woning [e-straat 1] zag verbalisant [verbalisant 1] een personenauto staan, merk Mazda, voorzien van het kenteken [kenteken], waarbij direct naast en aan de rechterzijkant van dit voertuig een persoon, naar later blijkt de verdachte, op een donkere plek gehurkt op zijn knieën, op de grond zat. De verdachte droeg donkere kleding en droeg een capuchon over zijn hoofd. Op het moment dat verbalisant [verbalisant 1] naar de verdachte toe rende, zag en hoorde hij dat de verdachte iets onder de personenauto gooide. Hierbij hoorde hij een geluid van metaal dat op de grond viel. Op dat moment stapte verbalisant [verbalisant 2] uit het dienstvoertuig en ook hij hoorde een geluid van metaal dat op de grond viel. Hierop hebben de verbalisanten de verdachte vastgepakt en zagen zij dat hij aan allebei zijn handen witte latex handschoenen droeg. De toevallig ter plaatse gekomen verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] hebben onder de personenauto gekeken en zagen dat hier een gasbrander lag.
Met betrekking tot het tenlastegelegde onder 1 volgt uit de hiervoor gebezigde bewijsmiddelen dat de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] de verdachte hebben aangetroffen op een donkere plek direct naast een personenauto, terwijl hij gehurkt op zijn knieën op de grond zat, donkere kleding en latex handschoenen droeg en een capuchon over zijn hoofd had. De verbalisanten hebben gezien en gehoord dat de verdachte toen verbalisant [verbalisant 1] naar de verdachte toe rende, iets onder de personenauto gooide, naar later blijkt een onkruidbrander met daaraan een gasfles. Bij de staande houding van de verdachte roken de verbalisanten een sterke penetrante gaslucht rondom de personenauto en rondom de verdachte. Ook tijdens de overbrenging van de verdachte werd dezelfde penetrante gaslucht in het dienstvoertuig geroken. De verklaring van de verdachte dat hij mogelijk gestruikeld is over de onkruidbrander, dat hij hierdoor gehurkt op de grond zat en dat daardoor de penetrante gaslucht aanwezig was acht het hof − alleen al door het feit dat de verdachte latex handschoenen droeg − volstrekt ongeloofwaardig en het hof schuift deze verklaring dan ook terzijde.
Uit eerdere rechtspraak kan wel het volgende worden afgeleid. Een belangrijke beoordelingsfactor is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Daarmee wordt ook afbakening van de poging ten opzichte van de strafbare voorbereiding bevorderd. Verder kan het bij poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld. (Vgl. HR 30 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:388.)
Het oordeel van het hof dat de door hem in aanmerking genomen feiten en omstandigheden in hun onderling verband en samenhang voldoende zijn om te kunnen spreken van een, voor een strafbare poging vereist, begin van uitvoering, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. De Hoge Raad neemt hierbij in aanmerking dat uit de door het hof gedane vaststellingen volgt dat op het moment van de ontdekking de voltooiing van de door de verdachte voorgenomen brandstichting nabij was, ook al werd er nog geen vuur, beschadiging of brandspoor waargenomen.
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
24 mei 2022.