In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, waarin hij werd veroordeeld tot betaling van de kosten van juridische bijstand van verweerder. Het geschil betreft de vraag of eiser terecht is veroordeeld in de daadwerkelijk gemaakte kosten van juridische bijstand in procedures wegens misbruik van procesrecht.
De Hoge Raad verwijst naar eerdere arresten, waaronder het arrest van 15 september 2017 (ECLI:NL:HR:2017:2360) en het arrest van het hof van 21 januari 2020. Na beoordeling van de klachten over het hofarrest oordeelt de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad ziet geen noodzaak tot motivering, omdat beantwoording van de vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie, begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- aan salaris. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wattendorff, ter Heide en Salomons en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2022.