Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
6.Beslissing
5 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een militair die werd veroordeeld voor medeplegen van feitelijke aanranding van een andere militair in maart 2013. De verdachte stelde in cassatie dat het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter was geschonden omdat een lid van de kamer formeel in dienst was van het Openbaar Ministerie tijdens de behandeling. Daarnaast werd betwist dat de verjaring van het recht tot strafvordering tijdig was gestuit.
De Hoge Raad verwijst voor het eerste middel naar een gelijktijdig arrest waarin dit punt is behandeld en verwierp het middel. Ten aanzien van de verjaring oordeelde het hof dat de verjaring was gestuit op 2 november 2018 door een e-mail van de voorzitter van de militaire kamer van de rechtbank aan het Openbaar Ministerie, waarin de voorzitter betrokken werd bij de planning en regievoering van de strafzaak. Dit werd gezien als een daad van vervolging in de zin van artikel 72 Sr Pro, waardoor de verjaring werd onderbroken.
De verdediging voerde aan dat deze handelingen louter feitelijk en informeel waren en dus geen stuiting konden veroorzaken, maar het hof vond dat juist het betrekken van de voorzitter bij het planningsproces gericht was op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare rechterlijke beslissing. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel als niet onbegrijpelijk en zonder onjuiste rechtsopvatting.
Verder werd in cassatie erkend dat de redelijke termijn was overschreden, maar dit leidde niet tot een ander rechtsgevolg gezien de opgelegde taakstraf. Het beroep in cassatie werd uiteindelijk verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling wegens medeplegen militaire aanranding met verjaring tijdig gestuit.