ECLI:NL:HR:2022:435
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond tegen uitspraak Centrale Raad van Beroep over sociale zekerheidsbeschikkingen
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, die op haar beurt het hoger beroep behandelde tegen een uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. De zaak betrof beschikkingen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen op grond van de Werkloosheidswet, Wet Werk en Inkomen naar Arbeidsvermogen en de Ziektewet.
De Hoge Raad heeft de ingebrachte klachten van belanghebbende beoordeeld en geoordeeld dat deze niet tot vernietiging van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep kunnen leiden. Daarbij is overwogen dat het niet noodzakelijk is om de klachten inhoudelijk te motiveren, omdat zij geen vragen van belang voor de eenheid of ontwikkeling van het recht oproepen, zoals bedoeld in artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie.
Verder heeft de Hoge Raad geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen. Het arrest is gewezen door de raadsheren Wortel, Beukers-van Dooren en Cools en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en daarmee afgewezen.