Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
25 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de vaststelling van kinder- en partneralimentatie na ontbinding van het huwelijk tussen de man en de vrouw. Het hof Arnhem-Leeuwarden had de alimentatiebedragen vastgesteld over drie perioden en daarbij de draagkracht van de man berekend mede aan de hand van de woonlasten en rentelasten verbonden aan de voormalige echtelijke woning en leningen van een vennootschap waarvan de man aandeelhouder is.
De vrouw stelde cassatieberoep in tegen de berekening van de draagkracht door het hof, met name tegen de wijze waarop de bruto woonlasten en rentelasten waren berekend en de veronderstelling dat de man vanaf mei 2020 geen draagkracht meer had. De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuiste berekeningen had gemaakt door rentegegevens uit verschillende jaren te combineren en dat het oordeel over de draagkracht in periode 3 onbegrijpelijk was omdat rentebetalingen aan de vennootschap feitelijk inkomsten voor de man zijn.
De Hoge Raad vernietigde de beschikking van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing. De overige klachten van de vrouw werden niet behandeld omdat ze niet van belang waren voor de rechtsontwikkeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.