Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:1945

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
23 december 2022
Zaaknummer
21/01167
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 AVGArt. 17 AVGArt. 21 AVGArt. 4:32 lid 1 WftArt. 4:34 Wft
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt hofbeslissing over wettelijke grondslag verwerking kredietgegevens BKR

In deze zaak vorderen verzoekers dat Rabobank de bijzonderheidscoderingen in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI) bij het Bureau Krediet Registratie (BKR) verwijdert en verwijderd houdt. Rabobank had deze coderingen geregistreerd naar aanleiding van een consumptief krediet en een betaalrekening van verzoekers. De rechtbank en het hof wezen het verzoek af, waarbij het hof oordeelde dat de registratie plaatsvond op grond van een wettelijke plicht zoals bedoeld in art. 6 lid 1 onder Pro c AVG, waardoor het recht op gegevenswissing en bezwaar niet van toepassing zou zijn.

De Hoge Raad stelt echter vast dat het hof een onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. In een prejudiciële beslissing van december 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de verwerking van persoonsgegevens in het CKI niet kan worden gebaseerd op art. 6 lid 1 onder Pro c AVG, maar moet worden getoetst aan art. 6 lid 1 onder Pro f AVG. Dit betekent dat verzoekers wel aanspraak kunnen maken op het recht op gegevenswissing (art. 17 AVG Pro) en het recht van bezwaar (art. 21 AVG Pro).

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing over de rechten van verzoekers. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Rabobank in de kosten van het cassatiegeding.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor herbeoordeling over het recht op gegevenswissing en bezwaar.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/01167
Datum23 december 2022
BESCHIKKING
In de zaak van
1. [verzoeker 1],
wonende te [woonplaats],
2. [verzoekster 2],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
hierna gezamenlijk: [verzoekers],
advocaat: M.J. van Basten Batenburg,
tegen
COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Rabobank,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de beschikking in de zaak C/17/169522 / HA RK 19/103 van de rechtbank Noord-Nederland van 19 februari 2020;
de beschikking in de zaak 200.278.124/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2020.
[verzoekers] hebben tegen de beschikking van het hof beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit. De zaak is voor [verzoekers] toegelicht door hun advocaat.
Rabobank heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.B. Rank-Berenschot strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) In 2011 heeft Rabobank aan [verzoekers] een consumptief krediet van € 70.000,--verstrekt en heeft Aegon Hypotheken B.V. (hierna: Aegon) aan [verzoekers] een hypothecaire lening van € 1.100.000,-- verstrekt.
(ii) De arbeidsovereenkomst van [verzoeker 1] is per 1 augustus 2013 beëindigd. [verzoeker 1] heeft geen ander werk gevonden.
(iii) Aegon heeft in januari 2018 met volmacht van [verzoekers] hun woning verkocht. Daarna resteerde een schuld aan Aegon van ruim € 250.000,--. De schuld aan Rabobank bedroeg toen ruim € 71.000,--.
(iv) [verzoekers] hebben schuldhulpverlening gezocht. De totale schuldenlast van [verzoekers] (inclusief de vorderingen van Aegon en Rabobank) bedroeg toen ruim € 387.000,--. Namens [verzoekers] is in juni 2018 aan de concurrente schuldeisers een betaling van 9,07% van hun openstaande vorderingen tegen finale kwijting voorgesteld.
(v) De schuldeisers, met uitzondering van Aegon, hebben het voorstel geaccepteerd. De rechtbank Noord-Nederland heeft Aegon bij beschikking van 18 september 2018 op de voet van art. 287a Fw bevolen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.
(vi) Rabobank heeft in het Centraal Krediet Informatiesysteem (hierna: CKI) bij de Stichting Bureau Krediet Registratie (hierna: BKR) een aantal bijzonderheidscodes betreffende [verzoekers] laten registreren over het hiervoor in 2.1 onder (i) genoemde consumptieve krediet en over een betaalrekening van [verzoekers]
2.2
[verzoekers] verzoeken in dit geding om Rabobank te bevelen de bijzonderheidscoderingen te verwijderen en verwijderd te houden. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen.
2.3
Het hof heeft de beschikking van de rechtbank bekrachtigd. [1] Het heeft daartoe onder meer als volgt overwogen.
De registratie van kredietgegevens in het CKI vindt plaats op grond van een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder c, Algemene Verordening Gegevensbescherming [2] (hierna: AVG), te weten op grond van art. 4:32 lid 1 en Pro art. 4:34 Wet Pro op het financieel toezicht. (rov. 4.5)
Wanneer de verwerking van persoonsgegevens is gebaseerd op een wettelijke plicht, kan de betrokkene geen beroep doen op het in art. 17 AVG Pro neergelegde recht op gegevenswissing. De betrokkene heeft in dat geval ook niet het recht van bezwaar als bedoeld in art. 21 AVG Pro, omdat dat recht is verbonden aan gegevensverwerking op grond van art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder e en f, AVG. Het beroep van [verzoekers] op deze rechten gaat dan ook niet op. (rov. 4.6)

3.Beoordeling van het middel

3.1
Onderdeel 1 van het middel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting met zijn oordeel dat de registratie van kredietgegevens in het CKI van het BKR plaatsvindt op grond van een wettelijke plicht als bedoeld in art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder c, AVG. Die registratie vindt niet op die grond plaats, maar op grond van art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder f, AVG, aldus het onderdeel.
3.2
Bij prejudiciële beslissing van 3 december 2021 [3] heeft de Hoge Raad geoordeeld dat art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder c, AVG niet kan dienen als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens in het CKI van het BKR, dat die verwerking moet worden getoetst aan het bepaalde in art. 6 lid Pro 1, aanhef en onder f, AVG, en dat aan de betrokkene van wie persoonsgegevens zijn geregistreerd bij het BKR toekomt (a) het recht op gegevenswissing als bedoeld in art. 17 AVG Pro en (b) het recht van bezwaar als bedoeld in art. 21 AVG Pro.
3.3
De klacht van onderdeel 1 is dus gegrond. Het oordeel van het hof dat de registratie van kredietgegevens plaatsvindt op grond van art. 6, lid 1, aanhef en onder c, AVG, kan niet in stand blijven. Hetzelfde geldt voor het daarop voortbouwende oordeel dat aan betrokkene geen recht van gegevenswissing en bezwaar toekomt. Onderdeel 2, dat tegen dat laatste oordeel is gericht, slaagt in zoverre.
3.4
De beschikking zal worden vernietigd. Na verwijzing dient het hof het beroep van [verzoekers] op art. 17 AVG Pro en art. 21 AVG Pro te beoordelen.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2020;
- verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;
- veroordeelt Rabobank in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verzoekers] begroot op € 421,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
23 december 2022.

Voetnoten

1.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10564.
2.Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), PbEU 2016, L 119/1.
3.HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1814, rov. 3.1.11 en 3.2.3.