Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:1790

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 december 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
21/00053
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 ZvwArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hinderpaalcriterium Zorgverzekeringswet en beroep op hardheidsclausules door zorgverzekeraars

In deze zaak staat het hinderpaalcriterium uit artikel 13 lid 1 van Pro de Zorgverzekeringswet centraal, dat bepaalt dat de vergoeding voor niet-gecontracteerde zorg bij naturapolissen niet zo laag mag zijn dat dit een feitelijke hinderpaal vormt voor verzekerden om vrije artsenkeuze uit te oefenen.

CZ Zorgverzekeringen heeft tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beroep in cassatie ingesteld, waarbij de Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze incidenteel cassatieberoep heeft ingesteld. De kern van het geschil betreft de vraag of zorgverzekeraars zich in verweer tegen een hinderpaalverwijt kunnen beroepen op hardheidsclausules of coulanceregelingen.

De Hoge Raad volgt de conclusie van de Advocaat-Generaal en vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover daarin is beslist dat zorgverzekeraars zich niet op dergelijke clausules kunnen beroepen. De gevorderde verklaring voor recht van de Stichting wordt afgewezen. Het incidentele beroep van de Stichting wordt verworpen. De Stichting wordt veroordeeld in de proceskosten.

De uitspraak bevestigt dat het hinderpaalcriterium niet uitsluit dat zorgverzekeraars zich op hardheidsclausules kunnen beroepen, waarmee ruimte blijft voor maatwerk in de vergoeding van niet-gecontracteerde zorgkosten.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het zorgverzekeraars verbiedt zich op hardheidsclausules te beroepen; de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/00053
Datum9 december 2022
ARREST
In de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
als rechtsopvolgster van Onderlinge Waarborgmaatschappij Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar U.A.,
gevestigd te Tilburg,
EISERES tot cassatie, verweerster in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: CZ,
advocaat: J.W. de Jong, aanvankelijk ook K. Teuben,
tegen
STICHTING HANDHAVING VRIJE ARTSENKEUZE,
gevestigd te Zeist,
VERWEERSTER in cassatie, eiseres in het (deels voorwaardelijke) incidentele cassatieberoep,
hierna: de Stichting,
advocaat: T. van Malssen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak NL17.14249 van de rechtbank Gelderland van 10 april 2018 en 1 februari 2019;
de arresten in de zaak 200.259.907 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 februari 2020 en 6 oktober 2020.
CZ heeft tegen het arrest van het hof van 6 oktober 2020 beroep in cassatie ingesteld.
De Stichting heeft (deels voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.J. Drijber strekt in het principale cassatieberoep tot vernietiging van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar uitsluitend voor zover in het dictum is beslist dat de zorgverzekeraars zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex art. 13 Zvw Pro niet op hardheidsclausules/coulanceregelingen kunnen beroepen, en voor het overige tot verwerping. In het incidentele cassatieberoep strekt de conclusie tot verwerping.
De advocaat van CZ heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Uitgangspunten en feiten

2.1
Deze zaak gaat over het in art. 13 lid 1 Zorgverzekeringswet Pro (hierna: Zvw) besloten liggende hinderpaalcriterium, dat inhoudt dat de door de zorgverzekeraar in het geval van een naturapolis te bepalen vergoeding voor de kosten van niet-gecontracteerde zorgaanbieders niet zo laag mag zijn dat daardoor voor de verzekerde een feitelijke hinderpaal ontstaat om zich tot een niet-gecontracteerde zorgaanbieder van zijn keuze te wenden. [1] In geschil is aan welke voorwaarden de vergoeding moet voldoen om geen hinderpaal op te leveren. Deze zaak hangt samen met de zaken 21/00057 (VGZ c.s./Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze) [2] en 21/00036 (Zilveren Kruis/Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze). [3]
2.2
Voor de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1-2.20.

3.Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1
De rechtsklacht van onderdeel 7.1 van het middel slaagt op de gronden vermeld in rov. 3.6.3-3.6.6 van het arrest van de Hoge Raad van vandaag in de samenhangende zaak 21/00057 (VGZ c.s./Stichting Handhaving Vrije Artsenkeuze). [4] Gelet op het in rov. 3.6.4-3.6.6 van dat arrest overwogene behoeven de onderdelen 7.2 en 7.3 geen behandeling.
De voortbouwklacht in onderdeel 7.4 slaagt eveneens.
3.2
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).
3.3
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Het bestreden arrest zal worden vernietigd, maar uitsluitend voor zover daarin voor recht is verklaard dat zorgverzekeraars zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex art. 13 Zvw Pro niet op hardheidsclausules of coulanceregelingen kunnen beroepen. De door de Stichting gevorderde verklaring voor recht zal in zoverre worden afgewezen.

4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO Pro).

5.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
- vernietigt het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 oktober 2020, maar uitsluitend voor zover daarin voor recht is verklaard dat zorgverzekeraars zich bij wege van verweer tegen een hinderpaalverwijt ex art. 13 Zvw Pro niet op hardheidsclausules/coulanceregelingen kunnen beroepen;
- wijst de gevorderde verklaring voor recht in zoverre af;
- veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CZ begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;
in het incidentele beroep:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt de Stichting in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van CZ begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien de Stichting deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, F.J.P. Lock, S.J. Schaafsma en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
9 december 2022.

Voetnoten

1.HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1646 (CZ Groep/Stichting Momentum GGZ), rov. 3.5.7.
2.HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1789.
3.HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1791.
4.HR 9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1789.