ECLI:NL:HR:2022:1676

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 november 2022
Publicatiedatum
16 november 2022
Zaaknummer
22/02905
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:36a AwbBesluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 99
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet-digitale indiening

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland inzake een belastingrechtelijk geschil. Het beroep in cassatie is ingesteld door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener namens een belanghebbende.

Volgens artikel 1 van Pro het Besluit van 6 maart 2019 is een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht om digitaal te procederen. Het beroepschrift in cassatie was echter niet digitaal via het webportaal van de Hoge Raad ingediend, maar per aangetekende brief. De griffier heeft de indiener daarom bij brief verzocht het beroepschrift alsnog digitaal in te dienen binnen zes weken, maar deze termijn werd overschreden.

De Hoge Raad oordeelt dat het te laat digitaal indienen niet kan worden geaccepteerd en verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:36a, lid 5, Awb. Er is geen veroordeling in proceskosten opgelegd. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 18 november 2022 openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-digitale en te late indiening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer22/02905
Datum18 november 2022
ARREST
op het door B.R.R. James te Hoofddorp ingediende beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland van 20 juni 2022, nr. HAA 21/5466 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 28 januari 2022.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
In deze zaak is bij aangetekende brief beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank ingesteld. Uit het beroepschrift in cassatie blijkt dat het cassatieberoep is ingesteld door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener namens [X] te [Z].
1.2
Artikel 1 van Pro het Besluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 99, brengt mee dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen. In deze zaak had het beroepschrift in cassatie dus digitaal, via het webportaal van de Hoge Raad, moeten worden ingediend.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift daarom bij brief van 19 augustus 2022 verzocht het beroepschrift in cassatie binnen zes weken via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Die termijn eindigde op 30 september 2022. Deze brief is aangetekend verzonden en is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door de indiener opgegeven adres.
Het op 2 oktober 2022 alsnog via het portaal van de Hoge Raad ingediende beroepschrift in cassatie wordt als te laat ingediend beschouwd.
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2022.