Uitspraak
gevestigd te Utrecht,
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
11 februari 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de indexatieregeling van pensioenaanspraken die tot 2001 bij een verzekeraar (ASR) waren ondergebracht. Na overdracht van de pensioenuitvoering aan een andere uitvoerder werd de indexatieregeling gewijzigd van onvoorwaardelijk naar voorwaardelijk. De werknemer vorderde dat de oude onvoorwaardelijke indexatie zou blijven gelden voor zijn tot 2001 opgebouwde pensioenaanspraken.
De kantonrechter verwierp het verjaringsverweer en wees de vorderingen af omdat de werknemer geen gewezen deelnemer was in de zin van het pensioenreglement. Het hof vernietigde dit en veroordeelde Allianz en ASR tot nakoming van de onvoorwaardelijke indexatie vanaf 2013, waarbij Allianz de financiering moest dragen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd op welke grondslag ASR gehouden zou zijn tot indexering, aangezien de rechtsverhouding tussen werknemer en ASR anders is dan tussen werknemer en Allianz. Ook was het hof onvoldoende ingegaan op het verjaringsverweer van ASR. Daarom werd het arrest vernietigd en verwezen naar het hof Amsterdam voor verdere behandeling.
De Hoge Raad bevestigde dat een onvoorwaardelijk recht op indexatie niet zonder instemming van de werknemer kan worden gewijzigd in een voorwaardelijk recht volgens de Pensioenwet. Tevens werd benadrukt dat de werknemer als partij geldt bij de verzekeringsovereenkomst tussen Allianz en ASR. De zaak zal nu nader moeten worden beoordeeld door het hof Amsterdam, waarbij met name de rechtsverhouding tussen werknemer en ASR en het verjaringsverweer van ASR opnieuw aan de orde komen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het hof Amsterdam voor nadere behandeling.