ECLI:NL:HR:2022:1476

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 oktober 2022
Publicatiedatum
14 oktober 2022
Zaaknummer
21/02891
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 312 lid 2 SrArt. 282 lid 1 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen gekwalificeerde diefstal en wederrechtelijke vrijheidsberoving

De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2021. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal met geweld (art. 312 lid 2 Sr Pro) en wederrechtelijke vrijheidsberoving (art. 282 lid 1 Sr Pro). Het cassatieberoep richtte zich onder meer op de bewijsvoering, met name op de verklaring van een getuige, een opsporingsambtenaar, waarvan verdachte stelde dat deze een ontoelaatbare gissing of gevolgtrekking bevatte en dat het hof deze verklaring had gedenatureerd.

De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad heeft het cassatiemiddel inhoudelijk beoordeeld en geoordeeld dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet uitvoerig omdat het niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het arrest is op 18 oktober 2022 gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Borgers en Röttgering. Het beroep is verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van gekwalificeerde diefstal met geweld en wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/02891
Datum18 oktober 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 juli 2021, nummer 23-004409-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 oktober 2022.