Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
4 oktober 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak is de verdachte vervolgd voor het opzettelijk niet (tijdig) betalen van omzetbelasting over verschillende kwartalen. Het hof verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk omdat aan de verdachte reeds fiscale verzuimboetes waren opgelegd voor hetzelfde feit, waardoor volgens het hof het una via-beginsel en ne bis in idem werden geschonden.
De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de verzuimboetes op grond van artikel 67c AWR hetzelfde feit betreffen als het strafbare feit van artikel 69a lid 1 AWR. De Hoge Raad benadrukt het verschil in aard en ernst tussen de bestuurlijke boetes en de strafrechtelijke vervolging, onder meer vanwege het opzetvereiste en de maximale straf van zes jaar gevangenisstraf bij artikel 69a AWR.
Daarom kunnen de feiten waarop de verzuimboetes zijn gebaseerd niet als hetzelfde feit worden aangemerkt in de zin van het ne bis in idem-beginsel. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor een nieuwe berechting.
De zaak betreft een belangrijke interpretatie van het una via-beginsel en de toepassing van ne bis in idem in fiscale strafzaken, waarbij wordt benadrukt dat bestuurlijke boetes en strafrechtelijke vervolging verschillende rechtsgevolgen en ernst kennen.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nieuwe berechting.