Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
6. Uitkering
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
30 september 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of een vordering uit hoofde van huwelijkse voorwaarden moest worden aangemerkt als een quasi-legaat, wat de rangorde van die vordering binnen de nalatenschap bepaalt. De nalatenschap was ontoereikend om alle aanspraken te voldoen, waardoor deze kwalificatie van belang was.
De feiten betroffen een huwelijk waarbij vooraf huwelijkse voorwaarden waren opgesteld. De erflater had een natuurlijke verbintenis tot uitkering aan zijn echtgenote, welke was omgezet in een rechtens afdwingbare verbintenis. Na overlijden van de erflater ontstond discussie over de kwalificatie van deze vordering: eiseres stelde dat het een gewone schuld betrof, verweerders dat het een quasi-legaat was.
De rechtbank wees de vordering van eiseres toe als gewone schuld, maar het hof vernietigde dit en kwalificeerde de vordering als een quasi-legaat conform art. 4:126 BW Pro, omdat de verbintenis pas na overlijden van de schuldenaar nagekomen zou worden. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep, waarbij werd benadrukt dat de strekking van de omzetting niet beperkt hoeft te zijn tot uitsluitend na overlijden opeisbare prestaties.
De Hoge Raad compenseerde de kosten van het geding zodanig dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de vordering uit huwelijkse voorwaarden wordt als quasi-legaat aangemerkt.