Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
4.Beslissing
20 september 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond een 48-jarige verdachte terecht voor ontucht met de 10-jarige dochter van zijn ex-partner tijdens een logeerpartij, in strijd met artikel 244 juncto Pro 248 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte veroordeeld, waarbij de betrouwbaarheid van de verklaringen van het slachtoffer en het bewijsminimum volgens artikel 342 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering centraal stonden.
De verdachte stelde cassatie in tegen het arrest van het hof. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest, maar uitsluitend met betrekking tot de opgelegde gevangenisstraf, en tot vermindering daarvan. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de inhoudelijke uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden en dat het hof zijn oordeel niet hoefde te motiveren vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden door het late toezenden van stukken door het hof. Dit leidde tot een vermindering van de gevangenisstraf met twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, met behoud van de veroordeling.