Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
27 september 2022.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de vervolging van verdachte wegens bijstandsfraude, omdat voorafgaand aan de dagvaarding een schikking was getroffen waarbij het terugvorderingsbedrag aanzienlijk was verlaagd van € 61.000 naar € 21.000. De verdachte beriep zich op de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude, die bepaalt dat bij een nadeel onder € 50.000 in beginsel bestuursrechtelijke afdoening geldt.
De Hoge Raad bevestigde dat bij de beoordeling van ontvankelijkheid moet worden uitgegaan van de gegevens die ten tijde van de vervolgingsbeslissing aan het OM bekend waren. Omdat de vervolgingsbeslissing was genomen toen het benadelingsbedrag nog € 61.000 bedroeg, was het OM bevoegd tot vervolging. De latere schikking met een lager bedrag leidt niet tot niet-ontvankelijkheid.
Daarnaast werd het beroep gegrond verklaard voor het onderdeel van overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van honderd naar 95 uur, en de vervangende hechtenis van vijftig naar 47 dagen. De overige cassatiemiddelen werden verworpen.
Uitkomst: Het OM is ontvankelijk in de vervolging ondanks de schikking; de taakstraf wordt verminderd naar 95 uur en de vervangende hechtenis naar 47 dagen.