Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Uitgangspunten in cassatie
Na elke verzending is in EMCS een melding gedaan dat de op het e-AD vermelde geadresseerde de desbetreffende partij alcoholische dranken heeft geaccepteerd. De Zweedse autoriteiten hebben deze melding binnen EMCS overgebracht aan de Nederlandse douane. Belanghebbende is via EMCS door de Nederlandse douane van die melding op de hoogte gesteld.
3.De oordelen van het Hof
i) of, gelet op Richtlijn 2008/118/EG [3] , Verordening (EG) nr. 684/2009 [4] , de Wet en het Uitvoeringsbesluit, de accijnsschorsingsregeling voor het overbrengen van de acht partijen alcoholische dranken op juiste wijze is beëindigd met de in EMCS geplaatste en door de Zweedse autoriteiten akkoord bevonden melding dat de goederen in het belastingentrepot zijn ontvangen, en zo niet
ii) of de Inspecteur op grond van artikel 2c, lid 3, van de Wet in samenhang gelezen met artikel 10 van Pro Richtlijn 2008/118/EG bevoegd is om ter zake van uitslag tot verbruik van de acht partijen alcoholische dranken accijns te heffen op de grond dat belanghebbende niet heeft aangetoond dat de overbrenging wel op regelmatige wijze is geëindigd of dat de onregelmatigheid buiten Nederland heeft plaatsgevonden.
4.Beoordeling van de middelen
Bewijs van het op regelmatige wijze beëindigen van de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming moeten volgens artikel 24, lid 3, van Richtlijn 2008/118/EG een elektronische controle verrichten van de gegevens in het bericht van ontvangst. Indien die gegevens in orde zijn bevonden, zenden zij het bericht door naar de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending.
Daarvan uitgaande kan het aan belanghebbende via EMCS doorgegeven bericht van ontvangst niet met een beroep op artikel 28, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG dienen als afdoende bewijs van een juiste beëindiging van de schorsingsregeling. De overbrenging van de acht partijen alcoholische dranken onder schorsing van accijns is dan niet geëindigd overeenkomstig artikel 2b, lid 2, van de Wet. Daarom falen de middelen 1 en 2, en ook middel 3 voor het overige.
Deze regeling is in wezen niet gewijzigd ten opzichte van hetgeen in artikel 20 van Pro Richtlijn 92/12/EEG was geregeld over het aanwijzen van de bevoegde lidstaat wanneer zich een onregelmatigheid voordoet tijdens een overbrenging van accijnsgoederen onder een accijnsschorsingsregeling. Wel is die regeling - naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 12 december 2002, Distillerie Fratelli Cipriani SpA, C-395/00, ECLI:EU:C:2002:751 - aangevuld met het bepaalde in artikel 10, lid 4, tweede alinea, van Richtlijn 2008/118/EG. In die richtlijnbepaling is voorgeschreven dat degene die zekerheid voor de betaling van accijns heeft gesteld ter zake van de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns, voorafgaand aan het heffen van accijns tijdig de mogelijkheid moet worden gegeven het bewijs te leveren dat de schorsingsregeling regelmatig is beëindigd dan wel te bewijzen in welke lidstaat de onregelmatigheid is begaan.
Dit leidt echter niet tot een andere uitkomst, aangezien het Hof tot de slotsom is gekomen dat belanghebbende dit met de nadien overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt. Middel 4 faalt daarom ook voor het overige.