ECLI:NL:HR:2010:BI8501
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- P.M.F. van Loon
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bevoegdheid tot naheffing accijns bij niet aangekomen accijnsgoederen
Belanghebbende beschikte over een vergunning voor een accijnsgoederenplaats en hield sigaretten in opslag voor een Britse producent. Deze sigaretten werden verkocht aan een Turks bedrijf met de voorwaarde dat zij 'ex warehouse' in Q zouden worden geleverd en vervolgens vanuit Groot-Brittannië zouden worden uitgevoerd. Na controle bleek dat van vijfentwintig zendingen geen juiste terugzendingsexemplaren van accijnsgeleidedocumenten aanwezig waren, en dat stempels op documenten vals of vervalst waren.
De inspecteur legde 23 naheffingsaanslagen op wegens het niet kunnen aantonen dat de goederen daadwerkelijk waren uitgevoerd. Zowel rechtbank als hof verklaarden het beroep ongegrond. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat op grond van artikel 86a lid 4 van de Wet op de accijns de termijn van vier maanden geldt waarbinnen de belanghebbende moet aantonen dat de overtreding in een andere lidstaat plaatsvond.
Omdat belanghebbende niet binnen die termijn kon aantonen dat de goederen naar een derde land waren gebracht of waar de overtreding plaatsvond, is de naheffing terecht opgelegd. De Hoge Raad verwierp daarmee de middelen van belanghebbende en verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: Het cassatieberoep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslagen blijven in stand.