Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
(...)
De voorzitter vraagt aan de verdachte of hij zich het moment dat het vonnis aan hem werd uitgereikt, kan herinneren.
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven - :
De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven - :
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De voorzitter deelt mede - zakelijk weergegeven - :
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De oudste raadsheer vraagt aan verdachte of hij niet nieuwsgierig was naar de inhoud van de brief en dit keer niet eerder wilde weten wat er in de brief stond.
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De oudste raadsheer deelt aan de verdachte mede dat verdachte volgens de SKDB al sinds 2010 in Nederland staat ingeschreven.
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De jongste raadsheer vraagt aan verdachte of hij vaak post krijgt waarvoor hij moet tekenen.
De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:
De raadsman deelt mede - zakelijk weergegeven - :
De raadsman voert aan - zakelijk weergegeven - :
(...)
De advocaat-generaal merkt op - zakelijk weergegeven - :
De raadsman heeft aangevoerd dat het te laat instellen van het hoger beroep verschoonbaar is. Verdachte zou namelijk de Nederlandse taal niet machtig zijn, hij zou analfabeet zijn en hij zou zijn post maar een keer per maand door iemand anders laten bekijken.
Verder voert de raadsman aan dat bij de dagvaarding in eerste aanleg geen schriftelijke vertaling verstrekt was en dat ook het vonnis niet was voorzien van een vertaling toen die aan verdachte werd betekend.
Ten aanzien van het laatste punt overweegt het hof het volgende. Het hof heeft ter zitting vastgesteld dat de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en overweegt dat in strijd met art. 366, vierde lid, van Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen schriftelijke vertaling van de mededeling als bedoeld in art. 366, eerste en derde lid, Sv in de […] of een andere voor de verdachte begrijpelijke taal is verstrekt.
Gelet op het feit dat verdachte analfabeet is, is het hof echter van oordeel dat het niet verstrekken van een schriftelijke vertaling van de mededeling als hiervoor bedoeld, geen nadeel kan opleveren voor verdachte nu hij de mededeling, vertaald of niet, hoe dan ook niet zou begrijpen. De schending van artikel 366, vierde lid, Sv, hoeft dan ook geen gevolgen te hebben.
Het hof overweegt ten aanzien van het eerste punt van de raadsman voorts dat het feit dat verdachte analfabeet is meebrengt dat het zijn verantwoordelijkheid om zijn post voor hem te laten lezen. Zeker wanneer het - zoals in dit geval - gaat om een aangetekende brief. Verdachte heeft verklaard dat hij in dat verband iemand heeft gevonden die zijn post ongeveer één keer per drie weken voor hem bekijkt. De post van verdachte wordt minstens een keer per maand bekeken wordt door de moeder van zijn dochter.
Door het hof is vastgesteld dat de moeder van zijn dochter, ter zitting van het hof als getuige aanwezig, de Nederlandse taal voldoende beheerst.
Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het is aan verdachte om ervoor te zorgen dat een aangetekende brief tijdig wordt gelezen en dat daarop door hem tijdig actie wordt ondernomen. Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte niet ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep.”
.
3.Beslissing
15 juni 2021.