ECLI:NL:HR:2021:92
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake aansprakelijkstelling Invorderingswet
In deze zaak stond de aansprakelijkstelling van belanghebbende op grond van de Invorderingswet 1990 centraal, betreffende nageheven loonbelasting en omzetbelasting van een vennootschap over een specifieke periode in 2008.
De procedure kende meerdere fasen: eerdere arresten van de Hoge Raad vernietigden uitspraken van lagere gerechtshoven en verwezen de zaak telkens terug voor herbeoordeling met inachtneming van de jurisprudentie.
In het derde cassatieberoep stelde de Staatssecretaris een middel voor tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, maar de Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot vernietiging kon leiden en verklaarde het beroep ongegrond. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig, omdat beantwoording van de rechtsvragen niet noodzakelijk was voor de rechtsontwikkeling.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €1.068 voor rechtsbijstand, en moest griffierecht betalen. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 22 januari 2021 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard.