Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
25 mei 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van verduistering en een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel was opgelegd. Het hof had onder meer geoordeeld dat overschrijvingen van de bankrekening van de betrokkene naar de bankrekening van een stichting waarvan hij bestuurder was, als wederrechtelijk verkregen voordeel konden worden aangemerkt.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie dat bij de bepaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft genoten. Het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom het bedrag van € 1.125,- dat naar de stichting was overgeschreven, als voordeel van de betrokkene kon worden beschouwd, aangezien het vermogen van de stichting niet zonder meer gelijkgesteld kan worden aan het vermogen van haar bestuurders en niet vaststond dat de betrokkene het vermogen vrijelijk voor eigen gebruik kon aanwenden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het hofarrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert het bedrag met € 1.125,- tot € 242.630,15. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Tevens overweegt de Hoge Raad dat de redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot een ander rechtsgevolg in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 242.630,15 en bevestigt de hoofdelijkheid van aansprakelijkheid.