Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
4.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
5.Beslissing
25 mei 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak stond de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene centraal, die was veroordeeld voor medeplegen van verduistering. Het hof had een betalingsverplichting opgelegd die mede gebaseerd was op overschrijvingen van het slachtoffer naar een stichting waarvan de betrokkene bestuurder was. Het hof achtte deze overschrijvingen als door de betrokkene genoten voordeel.
De Hoge Raad herhaalt dat bij de bepaling van wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden uitgegaan van het voordeel dat de betrokkene daadwerkelijk heeft behaald. Het vermogen van een stichting kan niet zonder meer worden vereenzelvigd met het vermogen van haar bestuurders, en het hof had onvoldoende gemotiveerd waarom de overschrijving als voordeel van de betrokkene moest worden aangemerkt.
Daarom vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de hoogte van de betalingsverplichting betreft en vermindert het bedrag met het onterecht meegerekende deel. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De redelijke termijn is overschreden, maar dit leidt niet tot een ander rechtsgevolg in deze zaak.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot € 246.592,70 en wijst het beroep voor het overige af.