Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.Procesverloop
4.De aanvraag tot herziening
5.De conclusie van de advocaat-generaal
6.Beoordeling van de aanvraag
De nieuwe verklaring van [medeverdachte 6] en de aanvulling daarop
De beoordeling van de herzieningsaanvraag door de Hoge Raad beperkt zich tot de gronden die in de aanvraag worden aangevoerd. Daarbij is nog van belang dat de wet toestaat dat een gewezen verdachte, nadat de Hoge Raad een aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard of heeft afgewezen, opnieuw een herzieningsaanvraag indient bij de Hoge Raad, mits die aanvraag steunt op andere gronden dan die eerder door de Hoge Raad ontoereikend zijn geoordeeld.
Het hof heeft voor het bewijs verder gebruik gemaakt van meerdere verklaringen die de getuige – tevens gewezen medeverdachte van de aanvrager – [medeverdachte 2] tegenover de politie heeft afgelegd (bewijsmiddelen 28-31). Ook deze door de getuige [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen zijn belastend voor de aanvrager en voor de andere gewezen medeverdachten, daaronder begrepen [medeverdachte 2] zelf.
Allereerst is het hof ingegaan op de vraag of de tegenover de politie afgelegde verklaringen in vrijheid zijn gegeven. Het hof heeft, na kennisneming van vele audiovisueel vastgelegde politieverhoren, geoordeeld dat sprake was van een gering aantal momenten waarop sprake was van een zekere druk maar dat van de politieverhoren niet kan worden gezegd dat er een ontoelaatbare druk op de verdachte en de medeverdachten uitging die hun verklaringsvrijheid op onaanvaardbare wijze heeft geschonden. Het hof heeft ook verschillende andere omstandigheden onderzocht die zijn aangevoerd met betrekking tot het verloop van de verhoren en de methodieken waarmee de verhoren zijn uitgevoerd, en met betrekking tot het niet-inschakelen van een tolk bij de verhoren. Ook hierbij is het hof telkens tot het oordeel gekomen dat niet aannemelijk is geworden dat de verklaringsvrijheid is aangetast of dat de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen is aangetast.
Het hof heeft verder de betrouwbaarheid en de consistentie van de door [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen besproken. Daarbij is het hof tot het oordeel gekomen dat de verklaringen van [medeverdachte 6] betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs omdat deze op meerdere, door het hof nader aangeduide punten worden bevestigd door de verklaringen van [medeverdachte 2] . Daarnaast heeft het hof geoordeeld dat de verklaringen van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 2] zeer gedetailleerd zijn en concrete redenen van wetenschap bevatten, die bovendien steun vinden in verklaringen van anderen of in ander bewijsmateriaal. Het hof heeft in dit verband verwezen naar verschillende feiten en omstandigheden die blijken uit de bewijsmiddelen 9, 10, 13, 14, 16, 17, 20, 33, 34, 41, 44, 50 en 51.
In de bij de aanvraag overgelegde verklaringen en in de aanvraag wordt de omstandigheid dat [medeverdachte 6] eerst met zijn verklaring van 5 oktober 2018 is teruggekomen op die eerdere verklaringen in de kern slechts onderbouwd met de stelling dat [medeverdachte 6] pas hierover heeft durven praten naar aanleiding van een televisie-uitzending over de zaak. Hiermee zijn naar het oordeel van de Hoge Raad echter geen toereikende gronden aangedragen die aannemelijk maken waarom [medeverdachte 6] op de voor de aanvrager belastende verklaringen is teruggekomen. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, is de bewering dat de politie hem tijdens de zittingen in hoger beroep heeft gezegd dat, als [medeverdachte 6] zijn verklaringen zou wijzigen, hij zou worden opgesloten en zijn gezin kapot zou worden gemaakt, bovendien niet geloofwaardig. De bij de aanvraag overlegde verklaringen van [medeverdachte 6] bevatten verder geen plausibele uitleg waarom de “20 jaar lang durende gewetenswroeging” hem pas in 2018 aanleiding heeft gegeven tot het terugkomen op de in de strafzaak afgelegde verklaringen.
Een en ander klemt temeer nu in die verklaringen of in de aanvraag niet een reden wordt opgegeven waarom [medeverdachte 6] zich niet bereid heeft getoond mee te werken aan het door de ACAS geadviseerde en ten behoeve van de voorbereiding van een herzieningsaanvraag te verrichten onderzoek dat, zoals onder 3.2 (ii) is vermeld, door de rechter-commissaris in de rechtbank Noord-Holland is gedaan.
In hoofdstuk 4 van het hiervoor genoemde boek worden de door [medeverdachte 6] tegenover de politie afgelegde verklaringen, mede aan de hand van de beschikbare video-opnamen, geanalyseerd. Met betrekking tot deze en andere bevindingen wordt in het boek opgemerkt: “Alles wat vermeld staat in dit boek, is afkomstig uit het dossier en de opnames van de verhoren, en dat is dus allemaal materiaal dat indertijd ook al bekend was bij de rechter.” De onderdelen van het ACAS-advies waarnaar in de aanvraag wordt verwezen, betreffen een analyse van de verklaringen van [medeverdachte 6] die hij tegenover de politie heeft afgelegd, mede aan de hand van de beschikbare video-opnamen, alsook passages over de door [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen en de mogelijkheid dat een “prisoners dilemma” heeft bestaan ten aanzien van de door [medeverdachte 6] ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaringen.
7.Beslissing
20 april 2021.