Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van de beroepen
4.Beoordeling van de middelen in beide zaken
5.Beslissing
16 april 2021.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak zijn twee cassatieberoepen behandeld die betrekking hebben op het geschil tussen partijen over de eigendom en het gebruik van de echtelijke woning na hun echtscheiding. Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met uitsluiting van vermogensgemeenschap. De woning was voor het huwelijk door de man aan de vrouw in eigendom overgedragen, maar de man stelt dat hij de economische eigenaar bleef.
De rechtbank bepaalde dat de man de woning mocht blijven gebruiken en een gebruiksvergoeding aan de vrouw moest betalen. Het hof bekrachtigde dit, maar stelde de partneralimentatie bij. Het hof liet bewijslevering toe over de economische eigendom van de woning. De Hoge Raad oordeelt dat de gebruiksvergoeding niet onvoorwaardelijk is toegekend, maar afhankelijk is van de uitkomst van de bewijslevering.
De Hoge Raad bevestigt dat het cassatieberoep van de man ontvankelijk is en dat het beroep van de vrouw, ingesteld op dezelfde dag, eveneens ontvankelijk is. Het beroep van de man wordt verworpen en de zaak wordt verwezen voor een nadere conclusie van de Advocaat-Generaal over het cassatieberoep van de vrouw. De Hoge Raad geeft hiermee duidelijkheid over de ontvankelijkheid en de aard van de gebruiksvergoeding in het kader van het huwelijksvermogensrecht en procesrecht.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de man wordt verworpen, de zaak wordt verwezen voor nadere conclusie A-G over het beroep van de vrouw.