Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Den Haag,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
26 maart 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een veroordeelde tegen de Staat der Nederlanden over de tenuitvoerlegging van een vervangende hechtenis opgelegd wegens niet-betaling van schadevergoedingsmaatregelen. De veroordeelde was veroordeeld tot een gevangenisstraf en schadevergoeding, waarbij bij uitblijven van betaling vervangende hechtenis kon worden toegepast. Het vonnis werd onherroepelijk vóór de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet USB) op 1 januari 2020.
De veroordeelde voerde aan dat de tenuitvoerlegging onrechtmatig was omdat zij niet in staat was tot betaling en dat dit strijd zou opleveren met artikelen van het EVRM. Tevens stelde zij dat de Staat had moeten anticiperen op de nieuwe wetgeving die gijzeling bij betalingsonmacht uitsluit. De rechtbank en het hof wezen haar vorderingen af, waarbij het hof benadrukte dat de strafrechter de maatregel onherroepelijk heeft opgelegd en dat de civiele rechter deze niet kan herzien.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en overwoog dat de Wet USB geen terugwerkende kracht heeft voor onherroepelijke vonnissen van vóór 1 januari 2020. De tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis is toegestaan zolang het vonnis onherroepelijk is en de wettelijke voorschriften destijds van toepassing waren. Ook het beroep op het EVRM faalde omdat de wijziging van de wet alleen geldt voor lopende zaken bij de wetswijziging. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de veroordeelde in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis rechtmatig is bij onherroepelijke vonnissen van vóór 1 januari 2020, ook bij betalingsonmacht van de veroordeelde.