Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
Artikel 8
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beslissing
26 maart 2021.
Hoge Raad
De werknemer, een metrobestuurder bij GVB, werd geconfronteerd met een incident waarbij een passagier zijn arm tussen de sluitende deuren stak en vervolgens met de metro meerreed. GVB startte een ontslagprocedure wegens verwijtbaar handelen, omdat de werknemer de veiligheidsvoorschriften zou hebben overtreden en het incident niet direct had gemeld.
De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst en kende een transitievergoeding toe. Het hof Amsterdam vernietigde het deel van de beschikking over de transitievergoeding en verhoogde deze. Het hof oordeelde dat de werknemer de vertrekprocedure had overtreden, de passagier in gevaar had gebracht en onjuiste verklaringen had afgelegd.
De werknemer stelde in cassatie onder meer dat GVB het eigen protocol had overtreden door camerabeelden te gebruiken als bewijs voor disciplinaire maatregelen. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit verweer ten onrechte had gepasseerd en dat het bewijsaanbod van de werknemer met betrekking tot de integriteit van de camerabeelden niet had mogen worden genegeerd.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelde de Hoge Raad GVB in de kosten van het geding in cassatie.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Amsterdam en verwijst de zaak naar het hof Den Haag voor verdere behandeling.