Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
15 januari 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil tussen eiser en assurantietussenpersoon over aansprakelijkheid voor schade door onderverzekering en vertraging in schadeafwikkeling na drie branden in 1996, 2001 en 2002. Eiser had zijn woning verzekerd via de tussenpersoon, maar betwist de vaststelling van de brandschade en de afwikkeling.
De rechtbank en het hof wezen de vorderingen van eiser af, stellende dat eiser gebonden was aan de taxatie van 2002, waarbij geen sprake was van onderverzekering. De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof omdat het hof onvoldoende motiveerde waarom eiser jegens de tussenpersoon gebonden zou zijn aan die taxatie, die primair de relatie tussen eiser en verzekeraar betrof.
De Hoge Raad verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de tussenpersoon in de kosten van het cassatiegeding. De zaak draait om de vraag of en in hoeverre de assurantietussenpersoon aansprakelijk is voor schade door onderverzekering en de wijze van schadevaststelling en afwikkeling.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.