ECLI:NL:HR:2021:419
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hofuitspraak wegens niet-ontvankelijkheid hoger beroep Inspecteur inzake immateriële schadevergoeding redelijke termijn
Belanghebbende was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2010, inclusief een beschikking over heffingsrente. Daarnaast verzocht belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had geen beslissing genomen over de immateriële schadevergoeding. Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch verklaarde echter het hoger beroep van de Inspecteur gegrond tegen de toekenning van deze schadevergoeding, hoewel deze beslissing niet was genomen door de Rechtbank.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof het hoger beroep van de Inspecteur niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat de Rechtbank geen beslissing had genomen over de immateriële schadevergoeding. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het het hoger beroep van de Inspecteur gegrond verklaarde.
De Staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende in cassatie. Dit arrest bevestigt de strikte toetsing van ontvankelijkheid van hoger beroep en het belang van een concrete beslissing in eerste aanleg.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt niet-ontvankelijk verklaard en het hofarrest vernietigd voor zover het dit hoger beroep gegrond verklaarde.