Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
30 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft een poging tot doodslag waarbij het slachtoffer een hersentrauma opliep. De levensgezel van het slachtoffer vorderde vergoeding van affectieschade op grond van ernstig en blijvend letsel zoals bedoeld in art. 6:107 BW Pro. Het hof kende haar een bedrag toe, stellende dat sprake was van ernstig en blijvend letsel bij het slachtoffer.
De Hoge Raad overweegt dat de wetgever als indicatie hanteert dat bij een blijvende functiestoornis van 70% of meer sprake is van ernstig en blijvend letsel. Het hof had echter geen concrete vaststellingen gedaan over de mate van de blijvende functiestoornis noch over de invloed van het letsel op het leven van de levensgezel. Het oordeel van het hof is daarom niet zonder meer begrijpelijk.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de vordering van de levensgezel en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel betreft, en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt hofarrest over vergoeding affectieschade en wijst zaak terug voor hernieuwde beoordeling.