Uitspraak
wonende te [woonplaats], Duitsland,
gevestigd te [vestigingsplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 november 2021.
Hoge Raad
De zaak betreft de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor schade doordat zij geen onderzoek heeft gedaan naar de opzegging van een arbeidsongeschikte werknemer met psychische klachten. De werknemer, die sinds 2011 psychische problemen had en arbeidsongeschikt was, zegde zijn arbeidsovereenkomst op met een duidelijke brief in augustus 2012. De werkgever accepteerde de opzegging.
De echtgenote van de werknemer vorderde een verklaring voor recht dat de werkgever aansprakelijk was omdat de werknemer in werkelijkheid niet de wil had om op te zeggen, mede gelet op zijn psychische toestand en gedwongen opname. Zij stelde dat de werkgever een onderzoeksplicht had om dit te verifiëren. Zowel rechtbank als hof wezen de vorderingen af en bevestigden dat de opzegging duidelijk was en dat er geen signalen waren dat de werknemer opzegging wilde intrekken.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht heeft geoordeeld dat onvoldoende aannemelijk is dat de werknemer niet wilde opzeggen en dat de werkgever daarom geen onderzoeksplicht had. Wel had de werkgever, gelet op de omstandigheden en de psychische aard van de arbeidsongeschiktheid, navraag kunnen doen, maar dit was niet verplicht. Het cassatieberoep werd verworpen en de kosten werden aan de echtgenote opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat onvoldoende aannemelijk is dat de werknemer niet werkelijk wilde opzeggen, waardoor geen onderzoeksplicht voor de werkgever bestond.