ECLI:NL:HR:2021:1649

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 november 2021
Publicatiedatum
4 november 2021
Zaaknummer
20/01847
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:233 BWArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over onredelijk bezwarend beding in kredietovereenkomst

In deze zaak heeft ABN AMRO Bank N.V. cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin werd geoordeeld over het onredelijk bezwarend karakter van een beding in een kredietovereenkomst. De wederpartij heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft de klachten van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de arresten van het hof.

De Hoge Raad verwijst voor het procesverloop naar eerdere vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland en arresten van het hof Arnhem-Leeuwarden. De klachten betreffen onder meer de reikwijdte van de onderzoeksplicht van de bank en de toepassing van het hoor en wederhoor principe in het kader van artikel 6:233 onder Pro a BW.

De Hoge Raad acht het niet noodzakelijk om de motivering van het oordeel nader toe te lichten, omdat het beantwoorden van de gestelde vragen niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het cassatieberoep van ABN AMRO en het incidentele cassatieberoep van de wederpartij worden verworpen. Beide partijen worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, met een specificatie van verschotten en salaris, vermeerderd met wettelijke rente indien niet tijdig voldaan.

Het arrest is gewezen door de vicepresident als voorzitter en vier raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 5 november 2021.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof over het onredelijk bezwarend karakter van het beding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01847
Datum5 november 2021
ARREST
In de zaak van
ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
EISERES tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep,
hierna: ABN AMRO,
advocaat: F.E. Vermeulen,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder],
advocaat: M.E. Bruning.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/16/443038/HA ZA 17-597 van de rechtbank Midden-Nederland van 26 april 2017, 19 juli 2017 en 22 november 2017;
de arresten in de zaak 200.234.360 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 april 2018, 23 april 2019, 17 september 2019 en 17 maart 2020.
ABN AMRO heeft tegen de arresten van het hof van 17 september 2019 en 17 maart 2020 beroep in cassatie ingesteld. [verweerder] heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor ANM AMRO mede door J.M.B. Cramwinckel.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping van het principale en het incidentele cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale beroep:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt ABN AMRO in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien ABN AMRO deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan;

in het incidentele beroep:

  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van ABN AMRO begroot op € 68,07 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [verweerder] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren M.J. Kroeze, H.M. Wattendorff, S.J. Schaafsma en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
5 november 2021.