ECLI:NL:HR:2021:161

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 februari 2021
Publicatiedatum
29 januari 2021
Zaaknummer
19/04630
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 2.B OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 433 lid 1 SvArt. 434 lid 1 Sv
Verwijzingen
10 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens bewijsuitsluiting in zaak medeplegen cocaïne-invoer en -vervoer

De zaak betreft een cassatieberoep ingesteld door het openbaar ministerie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch uit 2013, waarin de verdachte werd vrijgesproken van medeplegen van invoer, voorbereiding en vervoer van een grote hoeveelheid cocaïne in 2007. De Hoge Raad beoordeelde of het cassatieberoep rechtsgeldig aan de verdachte in persoon was aangezegd, zoals vereist volgens artikel 433 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering.

Uit de conclusie van de advocaat-generaal bleek dat niet kon worden vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was gesteld van het cassatieberoep. Artikel 434 lid 3 Sv Pro vereist dat de zaak pas door de Hoge Raad kan worden behandeld nadat de verdachte bekend is met het cassatieberoep, zodat hij zich kan verweren en eventueel incidenteel beroep kan instellen.

Gezien het ontbreken van bewijs van aanzegging heeft de Hoge Raad besloten de zaak van de rol te voeren, waardoor de inhoudelijke behandeling van het cassatieberoep wordt uitgesteld. Dit arrest bevestigt het belang van het waarborgen van het recht op hoor en wederhoor in cassatieprocedures, met name wanneer alleen het openbaar ministerie beroep instelt.

Uitkomst: De Hoge Raad voert de zaak van de rol wegens onvoldoende aanzegging van het cassatieberoep aan de verdachte.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/04630
Datum2 februari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 april 2013, nummer 20/000225-10, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door het openbaar ministerie. Het heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd dat de onderhavige zaak van de rol wordt gevoerd.

2.Beoordeling van de voortgang van de procedure

2.1
Voor de beoordeling van de voortgang van de procedure in cassatie zijn de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 433 lid 1 Wetboek Pro van Strafvordering (hierna Sv):
“Indien alleen het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, wordt het beroep aan de verdachte in persoon aangezegd, tenzij zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is.”
- Artikel 434 lid 1 en Pro lid 3 Sv:
“1. De griffier van het gerecht, dat het vonnis of arrest heeft gewezen waartegen beroep in cassatie is ingesteld, zendt de stukken van het geding zo spoedig mogelijk aan de griffier van de Hoge Raad.
3. Indien alleen het openbaar ministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, geschiedt de inzending niet of wordt aan haar, heeft zij ten onrechte plaats gehad, geen gevolg gegeven, dan nadat de in het eerste lid van artikel 433 bedoelde Pro aanzegging heeft plaats gevonden of zich enige andere omstandigheid heeft voorgedaan, waaruit voortvloeit dat het beroep de verdachte bekend is.”
2.2
Op grond van artikel 434 lid 3 Sv Pro kan de zaak nog niet door de Hoge Raad worden behandeld. De redenen daarvoor zijn vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal. De zaak zal daarom van de rol worden gevoerd.

3.Beslissing

De Hoge Raad voert de zaak van de rol.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M.J. Borgers, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
2 februari 2021.