ECLI:NL:HR:2021:1607

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 oktober 2021
Publicatiedatum
28 oktober 2021
Zaaknummer
20/01927
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep inzake passeren bewijsaanbod en prognoseverbod

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof van 31 maart 2020. Het geschil betreft procesrechtelijke vragen rondom het passeren van een bewijsaanbod en het prognoseverbod zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Gezien het karakter van de klachten was het niet noodzakelijk om inhoudelijk te motiveren waarom het beroep werd verworpen, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De advocaat-generaal had geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep, waarop de advocaat van eiser schriftelijk heeft gereageerd. Uiteindelijk heeft de Hoge Raad het beroep verworpen en eiser veroordeeld in de proceskosten, inclusief verschotten en salaris advocaat, vermeerderd met wettelijke rente bij niet-tijdige betaling.

De uitspraak werd gedaan door de raadsheren Tanja-van den Broek (voorzitter), Sieburgh en ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door Wattendorff op 29 oktober 2021.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/01927
Datum29 oktober 2021
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: R.K. van der Brugge,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: H.J.W. Alt.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/09/520701/HA ZA 16-1220 van de rechtbank Den Haag van 22 maart 2017, 9 augustus 2017, 11 juli 2018 en 5 september 2018;
de arresten in de zaak 200.250.835/01 van het gerechtshof Den Haag van 22 januari 2019 en 31 maart 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof van 31 maart 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, als voorzitter, C.H. Sieburgh en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
29 oktober 2021.