ECLI:NL:HR:2021:1333
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over materiële onderneming en toepassing bedrijfsopvolgingsfaciliteit bij vastgoedexploitatie
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) bij de schenking van aandelen in een BV die vastgoed exploiteert.
De BV verhuurt circa 1.100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten, waarbij de aandeelhouders en hun dochters in loondienst waren. Het geschil betrof de vraag of de BV een materiële onderneming drijft zoals vereist voor de BOF, waarbij het Hof oordeelde dat de werkzaamheden niet verder gaan dan normaal vermogensbeheer en dat het rendement niet boven normaal uitsteekt.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees het cassatieberoep af, verwijzend naar een gelijktijdig arrest met dezelfde overwegingen. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
De uitspraak benadrukt dat bij vastgoedexploitatie alle werkzaamheden worden betrokken en dat de aard en omvang van de activiteiten bepalend zijn voor het ondernemingskarakter.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de BOF wordt niet toegepast omdat de BV geen materiële onderneming drijft.