ECLI:NL:HR:2021:1328
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen materiële onderneming bij vastgoedexploitatie voor BOF
Belanghebbende had beroep ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) in de schenkbelasting. De BV exploiteert onroerende zaken, namelijk circa 1.100 garageboxen en 57 bedrijfsruimten, en de aandeelhouders zijn in loondienst bij de BV.
Het Hof oordeelde dat de BV geen materiële onderneming drijft zoals vereist voor toepassing van de BOF, omdat de werkzaamheden niet verder gaan dan normaal vermogensbeheer en het behaalde rendement niet boven het marktgemiddelde uitsteekt. Belanghebbende slaagde er niet in aannemelijk te maken dat de BV aan deze criteria voldoet.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. Het arrest benadrukt dat alle werkzaamheden in de beoordeling moeten worden betrokken en dat de last van bewijs bij de belanghebbende ligt. Er zijn geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de BOF wordt niet toegepast omdat de BV geen materiële onderneming drijft.