ECLI:NL:HR:2021:1270

Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2021
Publicatiedatum
16 september 2021
Zaaknummer
21/01476
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 285 FwArt. 6 EVRMArt. 19 Rv
Verwijzingen
6 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot toelating WSNP na faillissementsaanvraag afgewezen wegens ontbreken deugdelijk schuldenoverzicht

In deze zaak heeft de verzoeker cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch waarin het verzoek tot toelating tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) na een aanvraag van faillissement werd afgewezen. De procedure betrof onder meer de ontvankelijkheid van het verzoek en de vraag of het ontbreken van een deugdelijk overzicht van schulden, zoals vereist op grond van artikel 285 van Pro de Faillissementswet, tot afwijzing leidt.

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant en het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch voor het feitencomplex en het procesverloop. De klachten van de verzoeker over het arrest van het hof zijn door de Hoge Raad beoordeeld, maar deze kunnen niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad acht het niet nodig om de motivering te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het verzoek tot toelating tot de WSNP werd derhalve afgewezen wegens het ontbreken van een deugdelijk overzicht van schulden. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof. Het arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh en in het openbaar uitgesproken door H.M. Wattendorff.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toelating tot de WSNP wegens ontbreken van een deugdelijk schuldenoverzicht.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/01476
Datum17 september 2021
ARREST
In de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: [verzoeker],
advocaat: J. van Weerden.
1.
Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/01/364496/FT RK 20/639 van de rechtbank Oost-Brabant van 10 december 2020;
het arrest in de zaak 200.287.412/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2021.
[verzoeker] heeft tegen het arrest beroep in cassatie ingesteld.
De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [verzoeker] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.E. du Perron, als voorzitter, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
17 september 2021.