ECLI:NL:HR:2021:103
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing inkeerregeling bij verzwegen buitenlandse bankrekening UBS
Belanghebbende had een bankrekening bij de Zwitserse bank UBS die in februari 2014 werd opgeheven. De Nederlandse Belastingdienst vroeg in juli 2015 via een groepsverzoek informatie op bij de Zwitserse autoriteiten over Nederlandse rekeninghouders bij UBS. Deze brief werd niet aan belanghebbende gestuurd, maar er was wel media-aandacht over het verzoek.
In juni 2016 meldde belanghebbende het bezit van buitenlands vermogen en verstrekte nadere informatie over de UBS-rekening. Vervolgens legde de Inspecteur navorderingsaanslagen en vergrijpboeten op over de jaren 2005-2014. Het geschil betrof of sprake was van vrijwillige verbetering (inkeer) volgens artikel 67n AWR.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende formeel niet onder het groepsverzoek viel en dat de Inspecteur op het moment van inkeer niet wist van de rekening, noch redelijkerwijs moest vermoeden dat dit zo was. Hierdoor kon belanghebbende een beroep doen op de inkeerregeling.
De Staatssecretaris stelde in cassatie dat belanghebbende door media-aandacht wel degelijk redelijkerwijs moest vermoeden dat de Inspecteur op de hoogte was of zou worden van de rekening. De Hoge Raad verwierp dit en bevestigde dat het objectieve vermoeden van bekendheid van de Inspecteur doorslaggevend is, niet het subjectieve vermoeden van belanghebbende.
De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en belanghebbende kan een geslaagd beroep doen op de inkeerregeling.