ECLI:NL:HR:2020:993
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Toepassing bedrijfsopvolgingsregeling bij schenking aandelen en bezitstermijn activa dochtervennootschap
Belanghebbende ontving in 2014 een schenking van certificaten van aandelen in een holding die uiteindelijk een onderneming dreef via dochtervennootschappen. De discussie betrof de toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) op de waarde van de geschonken certificaten, met name voor activa en passiva die binnen de bezitstermijn door een dochtervennootschap waren gekocht.
De Rechtbank Noord-Holland oordeelde dat de BOR niet van toepassing was op het deel van de waarde dat betrekking had op de binnen de bezitstermijn aangekochte activa en passiva, omdat niet was voldaan aan de bezitstermijn van vijf jaar voor dat deel. De Hoge Raad stelde echter vast dat de Rechtbank ten onrechte ervan uitging dat elke verwerving van een zelfstandig deel van een onderneming leidt tot een nieuwe bezitstermijn.
De Hoge Raad volgde het arrest in een samenhangende zaak (ECLI:NL:HR:2020:867) en oordeelde dat de aanslag in de schenkbelasting dienovereenkomstig moet worden verminderd. De Staatssecretaris van Financiën werd veroordeeld in de proceskosten, evenals de Inspecteur in de kosten voor de Rechtbank en bezwaarprocedure. Het beroep in cassatie werd gegrond verklaard en het vonnis van de Rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De aanslag in de schenkbelasting wordt verminderd tot een aanslag overeenkomstig de aangifte.