Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
gevestigd te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
4.Beslissing
29 mei 2020.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de aansprakelijkheid van een advocaat die naliet de verjaring van een vordering tijdig te stuiten, welke vordering aan zijn cliënt was gecedeerd. De vordering betrof een claim uit hoofde van een niet-nakoming van een Business Purchase Agreement. De cessie van de vordering aan de cliënt was echter niet voltooid omdat de overdrager failliet werd verklaard voordat mededeling aan de wederpartij plaatsvond.
De advocaat heeft de cliënt bijgestaan bij pogingen tot incasso, waaronder het opstellen van een dagvaarding, maar heeft de verjaring niet tijdig gestuit. De cliënt stelde de advocaat aansprakelijk wegens tekortschieten in de zorgplicht. Zowel rechtbank als hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat de advocaat zich had moeten vergewissen van de rechtspositie van de cliënt en de gevolgen daarvan met hem had moeten bespreken.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en overwoog dat hoewel de advocaat tekort was geschoten in zijn zorgplicht, het stuiten van de verjaring geen effect zou hebben gehad omdat de cliënt geen rechthebbende was geworden. Hierdoor was de vordering verjaard en kon de advocaat niet aansprakelijk worden gehouden. Het principale beroep werd verworpen en de cliënt werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het beroep en oordeelde dat de advocaat niet aansprakelijk is voor het nalaten van stuiting van de verjaring omdat de cliënt geen rechthebbende was.