Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats], België,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het belang bij het beroep
4.Beslissing
15 mei 2020.
Hoge Raad
De vrouw heeft cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van het hof waarin haar verzoek om nadere voorlopige voorzieningen op grond van artikel 223 Rv Pro werd afgewezen. Dit verzoek was gedaan na de sluiting van de behandeling van de hoofdzaak. Het hof had eerder op 18 oktober 2018 een einduitspraak in de hoofdzaak gedaan, waartegen de vrouw eveneens cassatieberoep had ingesteld (zaaknummer 19/00292).
De Hoge Raad verwijst naar de eerdere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor het procesverloop in de feitelijke instanties. Op de dag van deze beschikking heeft de Hoge Raad het cassatieberoep in de hoofdzaak verworpen, waarmee het geding in de hoofdzaak is geëindigd.
Daardoor heeft de vrouw geen belang meer bij haar verzoek om voorlopige voorzieningen, aangezien de hoofdzaak is afgerond. De Hoge Raad besluit daarom het cassatieberoep tegen de afwijzing van het verzoek tot voorlopige voorzieningen te verwerpen wegens gebrek aan belang.
De beschikking is gegeven door de vicepresident als voorzitter en de raadsheren, en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 15 mei 2020.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens gebrek aan belang omdat de hoofdzaak is geëindigd.