ECLI:NL:HR:2020:878
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake conserverende navorderingsaanslag successierecht
In deze zaak stond het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een aan belanghebbende opgelegde conserverende navorderingsaanslag in het recht van successie.
Eerder had de Hoge Raad een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. De Staatssecretaris stelde in het tweede cassatieberoep een middel voor, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit middel niet tot vernietiging van het hofarrest kon leiden.
De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet nader te motiveren omdat beantwoording van de rechtsvragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €525 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van €519 geheven van de Staatssecretaris.
Het arrest werd op 29 mei 2020 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Fierstra, Wortel en Beukers-van Dooren.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard.