ECLI:NL:HR:2020:878

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2020
Publicatiedatum
14 mei 2020
Zaaknummer
19/04223
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake conserverende navorderingsaanslag successierecht

In deze zaak stond het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën centraal tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over een aan belanghebbende opgelegde conserverende navorderingsaanslag in het recht van successie.

Eerder had de Hoge Raad een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling. De Staatssecretaris stelde in het tweede cassatieberoep een middel voor, maar de Hoge Raad oordeelde dat dit middel niet tot vernietiging van het hofarrest kon leiden.

De Hoge Raad hoefde zijn oordeel niet nader te motiveren omdat beantwoording van de rechtsvragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

De Staatssecretaris werd veroordeeld in de proceskosten van belanghebbende, vastgesteld op €525 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Tevens werd een griffierecht van €519 geheven van de Staatssecretaris.

Het arrest werd op 29 mei 2020 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Fierstra, Wortel en Beukers-van Dooren.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën is ongegrond verklaard.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer19/04223
Datum29 mei 2020
ARREST
in de zaak van
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
tegen
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden van 6 augustus 2019, nr. 18/00007, betreffende een aan belanghebbende opgelegde conserverende navorderingsaanslag in het recht van successie.

1.Het eerste geding in cassatie

Bij arrest van de Hoge Raad van 22 december 2017, nr. 16/05636, ECLI:NL:HR:2017:3230, is vernietigd de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (nr. 15/00700), met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft het middel over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat het middel niet kan leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van het middel is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 19/04244 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 525 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.A. Fierstra als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 29 mei 2020.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 519.